Toespraak 4 mei Kamp Amersfoort

De gruwelen die hebben plaatsgevonden in Kamp Amersfoort en hier op deze plek op de Leusderheide waar gevangenen zijn gefusilleerd, zijn voor ons onvoorstelbaar. Zo wreed, zo barbaars, zo onmenselijk. 47.000 gevangenen waaronder mannen die de verplichte dwangarbeid van de Arbeitseinsatz ontdoken; verzetsstrijders waaronder communisten, artsen die lid waren van Medisch Contact en politiemannen die weigerden bevelen op te volgen; Joden; gijzelaars waar onder Amerikaanse staatsburgers; zogenaamde ‘asocialen’, en nog enkele andere groepen. Het lijden in het kamp was extreem: niet alleen het verlies van je vrijheid was afschuwelijk maar daar kwamen bij: dwangarbeid, geweld, honger, het transport naar andere kampen en de executies. De gevangenen werden mishandeld, gemarteld en vermoord of stierven door een combinatie van honger, uitputting, verwondingen en ziekte. Het roept allemaal vragen op: hoe kan zo’n hel op aarde bestaan? Hoe kun je onder dergelijke omstandigheden een mens blijven, je menselijke waardigheid bewaren en bewaken? Maar ook vragen als: Wie maakt dat mogelijk? Wie wil dit? Wie doet zoiets?  Wie waren de daders en wat dreef hen?

De namen die opkomen zijn die van Karl Berg, de kampcommandant die ter dood werd veroordeeld, Josef Kotalla, een van de drie van Breda, die de beul van Amersfoort werd genoemd, net als een aantal anderen overigens zoals Willem van der Neut wiens liefdesbrieven vorig jaar in boekvorm zijn gepubliceerd. De daders kwamen voort uit de gelederen van de Duitse bezetter, Nazi’s, maar ook meer dan de helft van de bewakers waren gewone Nederlanders. Hoe kan dat? Hoe is dat te verklaren? Waarom gaat iemand hierin mee?

Het gedrag van mensen die daders werden, moeten we zien tegen het licht van de omstandigheden waarin ze zich bevonden, hun persoonlijkheden die gevormd werden, door hun erfelijke eigenschappen, opvoeding en wat de betreffende personen in hun leven hebben meegemaakt en -heel belangrijk en doorslaggevend- de keuzes die zij maakten.

De omstandigheden tijdens de oorlog en onder de bezetting en in een kamp als Amersfoort waren extreem. Er was sprake van enorme machtsverschillen, onderdrukking en dreigingen door de vijand naast het verlies van vrijheid. Onrecht, discriminatie en geweld waren aan de orde van de dag en werden zo uiteindelijk genormaliseerd. In zo’n omgeving bleek het voor velen onmogelijk het morele kompas zuiver te houden. Remmingen die hen anders van dergelijk extreem, gewelddadig of sadistisch gedrag zouden kunnen weerhouden, vielen weg en de wreedheid escaleerde en werd steeds erger. In het kamp werd het een structureel aspect in de organisatie van het dagelijkse leven. Iets dat bewust werd aangemoedigd en uitgelokt.

Een aspect van die omstandigheden wil ik er specifiek uitlichten en dat is dat de gevangenen, die hier onder dwang verbleven, niet meer als mensen gezien werden. Ze werden gedemoniseerd en gedehumaniseerd en uiteindelijk verwerden ze tot nummers, zoals Wellenstein in zijn indringende boek over zijn kampervaringen schreef. Maar als je de ander niet meer als mens ziet, is alles mogelijk. De  normale normen en waarden gelden niet meer, alles mag, alles kan: de menselijke waardigheid, de medemenselijkheid, empathie – dat wat ons van misdrijven kan weerhouden – gaat onder dergelijke omstandigheden verloren. Dat gebeurt op het moment – en dat herhaal ik hier bewust – als je de ander niet meer als mens ziet.

Niet alleen de omstandigheden maar ook de persoonlijkheid van de dader speelt een rol. De drijfveren om zich schuldig te maken aan extreem geweld kunnen heel divers zijn: haat, ideologie, eigen belang, materieel gewin, gehoorzaamheid, conformisme of angst. Daarvan moeten wij ons op een dag als vandaag bewust zijn. Sommige daders waren sadisten en psychopaten met een gebrek aan empathie of zonder geweten maar velen waren normaal, angstaanjagend normaal. Gewone normale mensen die zich laten meevoeren: die de ander niet meer als medemens maar als nummer gaan zien, die niet meer nadenken over wat zich echt om hen heen afspeelt, die hun empathie en medemenselijkheid wegdrukken. Ze komen dan in een tunnelvisie terecht waarin ze de ander als het kwaad zien en zichzelf als het enige echte slachtoffer of als de held. De held in hun eigen verhaal.

Het menselijke brein blijkt in staat zelfs de meest gruwelijke gewelddaden goed te praten, te rechtvaardigen. Mensen kunnen aan extreem geweld wennen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Dit gaat stapje voor stapje waarin de keuze om dader te worden niet bewust wordt gemaakt maar iets is waar men langzaam maar zeker op uit komt. Alsof je op een rijdende trein stapt maar daar niet meer vanaf kunt: een psychologische valkuil waarbij elke keuze die je maakt, ieder klein stapje dat je zet de kans op meer geweld, meer misdrijven groter maakt. De mens verandert namelijk door wat hij doet. En soms brengen hele kleine beslissingen en naïeve of domme keuzes je in situaties die je niet voorzien had.

Mensen die daders werden, maakten wel degelijk keuzes, waar ze verantwoordelijk voor gehouden kunnen worden. Ze kozen ergens voor omdat het spannend en nieuw was of juist veiliger voelde, omdat een vriend of familielid dat ook deed of omdat ze bang waren en zich machteloos voelden.

Anderen deden het omdat ze er voordeel uit konden halen. Ze hadden niet per se kwaad in de zin of waren kwaadaardig, maar ze maakten een keuze in hun eigen belang, hun eigen voordeel of simpelweg omdat het hen aan moed ontbrak om nee te zeggen. En dat alles ten koste van de ander, het slachtoffer. En al die kleine keuzes bij elkaar maakten hen tot wie ze waren en wat ze deden. Niet minder verantwoordelijk of schuldig – want uiteindelijk beslisten ze ook om niet op hun schreden terug te keren en te zeggen: tot hier en niet verder. Ze gingen mee en accepteerden de gevolgen. Ze werden dader omdat het hen voordeel opleverde of omdat het gemakkelijker was dan om in verzet te komen. De dader is niet de ander maar een mogelijkheid in onszelf als we de verkeerde keuze maken.

Laten we ons hierbij overigens niet blindstaren op de fysieke daders want zij zijn niet de enigen die verantwoordelijk zijn. Dat zijn ook de vele mensen om hen heen: de mededaders, medeplichtigen, goedpraters en wegkijkers: allen vormen ze een warme schil om de dader heen en maken zijn of haar gedrag mogelijk. Wegkijken van extreem geweld, van genocide maakt medeverantwoordelijk. Als omstanders niet optreden en wegkijken dan denkt de dader dat deze het gedrag goedkeuren en dat is misschien wel de eerste en belangrijkste les: spreek je uit, zeg iets en verzet je. Dat is overigens gemakkelijker gezegd dan gedaan want verzet had ook zijn prijs. Je kon opgepakt, in het kamp geplaatst, gemarteld en vermoord worden, zoals de 20 verzetsstrijders die hier gefusilleerd zijn. Verzet is dus niet gemakkelijk maar in een oorlog moet je kiezen en alle keuzes hebben gevolgen en een prijs en veel verzetsstrijders die vochten tegen de bezetter of die Joden hadden geholpen, kwamen ook hier in Amersfoort terecht. Gewone Nederlanders die niet wegkeken en wel de moed hadden om iets te doen en daar soms de allerhoogst mogelijke prijs voor betaalden. Zij stierven voor onze vrijheid.

Als we nu naar de toestand in de wereld om ons heen kijken, dan is deze zorgwekkend: de opkomst van nieuwe destructieve leiders, van extremistisch gedachtengoed, van gewelddadige terreurgroepen: onderdrukkende regimes zoals in Iran, oorlogen zoals in Oekraïne en genocidaal geweld zoals in Soedan en Gaza, maar laten we vooral leren uit de lessen van vroeger. Dat we onze medemenselijkheid en empathie nooit mogen opgeven, dat we altijd kritisch moeten blijven reflecteren, dat we ons niet zomaar in verschillende groepen laten duwen: in dat polariserende wij tegen zij. We mogen ons nooit laten aanpraten dat sommige mensen, geen mensen zijn – dat ze niet dezelfde rechten hebben dat ze vol haat en als dader geboren worden – want niemand wordt zo geboren. Beoordeel mensen op wat ze doen niet op wie ze zijn of wat hun achtergrond, geloof of huidskleur is, of tot welke groep ze behoren, maar beoordeel hen op hun gedrag en veroordeel misdrijven als ze die begaan: zowel die van de vermeende vijand als die van de eigen bondgenoot. We moeten terug naar wat ons als mensen bindt en dat is medemenselijkheid, empathie en menselijke waardigheid en we mogen ons dit niet laten afpakken door machtswellustelingen die de internationale vrede en veiligheid in gevaar brengen. Het internationale recht en vooral de rechten van de mens geven een goed normatief kader en daar moeten we voor blijven strijden. En op dit moment van herdenking, aan een tijd en op een plaats, waar het verschrikkelijk mis is gegaan wil ik pleiten voor het behouden van hoop en het tonen van moed. Want vanaf het moment dat we ophouden te vechten voor vrijheid, veiligheid en medemenselijkheid hebben we bij voorbaat verloren. Het ‘nooit meer’ dat we gezamenlijk uitspraken na de Tweede Wereldoorlog is al zo vaak geschonden, maar laten we blijven strijden dat het niet nog vaker geschonden wordt.