Islamitische Staat (IS) deel 1: de opkomst

Ontvoeringen, onthoofdingen, massa-executies en dreigende terroristische aanslagen. De gruweldaden van ISIS, dat op 29 juni 2014 het kalifaat heeft uitgeroepen over grote gebieden in Irak en Syrië, beheersen al enkele maanden de media. Maar waar komt IS c.q. ISIS eigenlijk vandaan? Wat willen ze? Wie zijn de strijders en wat doet de internationale gemeenschap in de strijd tegen IS? In een serie blogs zal een overzicht worden gegeven van wat we weten van IS en zullen de bovenstaande vragen beantwoord worden. Dit is deel 1 in de serie.

 

De oorsprong van IS ligt in de burgeroorlogen in Irak. Na de aanslagen op de Verenigde Staten op 11 september 2001 vielen de VS in het kader van de War on Terror Afghanistan (oktober 2001) en Irak (maart 2003) vanwege hun vermeende banden met al-Qaida binnen. De inval in Irak leidde tot de val van Saddam Hoessein in april 2003 maar het lukte de VS niet om Irak zoals gepland te democratiseren. Het land wordt tot op de dag van vandaag geteisterd door opstanden, burgeroorlogen en gewelddadigheden die naar schattingen ongeveer 150.000-200.000 Irakezen het leven kostten. Op 15 maart 2011 begon ook de onrust in buurland Syrië met het verzet tegen het regime van Bashar al-Assad. Dit verzet mondde eveneens uit in een gewelddadige burgeroorlog. Het dodental in Syrië wordt geschat op 220.000, terwijl er naar schatting 6 miljoen mensen voor het geweld op de vlucht zijn geslagen. Deze beide conflicten en burgeroorlogen vormden de belangrijkste voedingsbodem voor de opkomst van extremistische groepen in het gebied, zoals al-Qaida in Irak, Jabhat Al-Nusra en later ISIS.

 

IS staat voor Islamitische Staat en is een Soennitische terreurgroep die is voortgekomen uit al-Qaida in Irak dat in 2004 werd opgericht door Abu Musab al-Zarqawi, een meedogenloze ex-crimineel uit Jordanië, die openlijk en extreem geweld niet schuwde. Zo werd o.a. op 7 mei 2004 duidelijk toen de Joods-Amerikaanse zakenman Nicholas Berg door al-Zarqawi persoonlijk werd onthoofd en de video daarvan op internet werd verspreid. Nicholas Berg, die net als de latere groep slachtoffers van IS, gekleed was in een oranje overall die veel gelijkenis vertoonde met de overalls die de gevangenen op Guantanamo Bay dragen, was bedoeld als wraak voor de mishandelingen en vernederingen van Iraakse gevangenen in de Abu Ghraib gevangenis. De misstanden in deze gevangenis werden in april 2004, vlak voor de onthoofding van Berg, door het  CBS programma 60 Minutes naar buiten gebracht. In 2006 smolt al-Qaida in Irak samen met andere radicale jihadistische rebellengroepen in Irak en ging verder als Islamitische Staat van Irak (ISI). De leiding was toen in handen van Abu Musab al-Baghdadi, die al-Zarqawi (in 2006 door de Amerikanen gedood) was opgevolgd. Toen ook hij in 2010 gedood werd, kwam Abu Bakr al-Baghdadi, de huidige leider van IS, aan het hoofd te staan.

 

In 2011 trok ISI de grens met Syrië over en sloot een verbond met Jabhat Al-Nusra, de Syrische al-Qaida tak, om zo gezamenlijk strijd te voeren in de Syrische burgeroorlog en te vechten tegen de regeringstroepen van Bashar al-Assad. In 2013 ontstond er echter weer een breuk tussen de twee groepen en veranderde ISI zijn naam in Islamitische Staat van Irak en al-Sham (ISIS). ISIS bleek een goed georganiseerde militaire groep die in een rap tempo steeds grotere gebieden in Syrië en Irak veroverde. Dit militaire succes leidde er uiteindelijk toe dat ISIS op 29 juni 2014 het kalifaat uitriep over de veroverde gebieden in Syrië en Irak. Bovendien gaat ISIS vanaf dat moment als Islamitische Staat (IS) door het leven. IS interpreteert evenals zijn voorgangers de Islam op een radicale en oer conservatieve wijze en ziet eenieder met een afwijkende visie als een ongelovige of afvallige die bestreden moet worden. De strijd tegen deze ongelovigen en afvalligen wordt als een heilige strijd beschouwd en de groep gebruikt daarbij extreem en bruut geweld dat bovendien veelal publiekelijk plaatsvindt en via video opnames op internet verspreid wordt. De video-opnames van de onthoofdingen van James Foley, Steven Sotloff, David Haines, Alan Henning, Peter Kassig en later ook de gruwelijke beelden waarbij de gevangen genomen Jordaanse piloot levend werd verbrand, werd door IS als afschrikwekkend voorbeeld verspreid.

 

Aan de oorsprong van het sektarisch geweld binnen de Moslimgemeenschap in Irak en Syrië, maar ook veel plaatsen elders ter wereld, ligt de tweesplitsing tussen de Soennieten en Sjiieten. De onenigheid en strijd tussen deze twee groepen ontstond na het overlijden van de profeet Mohammed in het jaar 632 naar aanleiding van de vraag wie diens rechtmatige opvolger zou moeten zijn. De Sjiieten vonden dat er sprake moest zijn van erfopvolging en zochten naar een geschikte opvolger in de familielijn van Mohammed – hun voorkeur ging daarbij uit naar een neef en schoonzoon van Mohammed, Ali. De Soennieten waren juist van mening dat er iemand met ervaring en kennis van zaken Mohammed moest opvolgen en zij kozen voor zijn naaste vriend en adviseur, Abu Bakr. De Soennieten wonnen de strijd en Abu Bakr werd uiteindelijk tot de eerste kalief benoemd. De onenigheid tussen beide groepen bleef en de breuk werd onherstelbaar toen in 680 een van de opvolgers van Abu Bakr de zoon van Ali en zijn familie vermoordde. De moslimgemeenschap is tot op de dag van vandaag een gespleten gemeenschap. De Soennieten houden vast aan de oude leer van Mohammed en zien de Sjiieten niet als echte Moslims, terwijl de Sjiieten op hun beurt de Soennieten als veel te dogmatisch zien. Op dit moment zijn er 1,6 miljard Moslims in de wereld, dat is zo’n 23% van de totale wereldbevolking. De overgrote meerderheid daarvan is Soenniet, terwijl zo’n 15-20% Sjiiet is. De verhouding tussen Soennieten en Sjiieten verschilt sterk per land. Landen met een overwegend Soennitische bevolking zijn onder andere Syrië, Libië, Koeweit, Nigeria en Turkije. Landen waar Sjiieten de meerderheid vormen zijn Iran en Irak. In veel landen heeft de tweesplitsing tussen Soennieten en Sjiieten geleid tot (politieke) onderdrukking en discriminatie.

 

Ten tijde van de dictatuur van Saddam Hoessein (1979-2003) speelde het sektarische geweld in Irak geen grote rol. Het grootschalige en brute geweld van Hoessein was meer een uiting van zijn wens om elke vorm van oppositie keihard neer te slaan en om zo zijn macht te consolideren dan sterk religieus gekleurd. Zijn Baath partij stond voor secularisme, socialisme en panarabisme. Na zijn val kreeg het geweld in Irak echter een sterk sektarisch karakter en ging de strijd vooral tussen Soennieten en Sjiieten. De soennitische minderheid was daarbij van mening dat zij eerst door de Amerikanen en later door de sjiitische regering onderdrukt en gemarginaliseerd werden. Dit sektarische geweld maakte dat veel Soennieten zich aangetrokken voelden tot het extremistische gedachtegoed van al-Qaida in Irak, de voorloper van ISIS. Een goed inzicht in deze dynamiek, geeft het boek  IS tot alles in staat, geschreven door de freelance journalist Hans Jaap Melissen. Melissen wijst er verder onder anderen op dat de Amerikaanse pogingen om het land te democratiseren onder andere door een gebrek aan kennis en planning faalden en maatregelen daardoor soms een averechts effect hadden. Als voorbeeld noemt hij dat het ontslaan van alle leden van Saddam Hoesseins Baath partij alsmede het hele leger een misschien wel begrijpelijke maar tevens domme zet was die bovendien een uiterst gevaarlijke situatie creëerde: honderdduizenden ontevreden mannen, die wisten hoe ze moesten vechten en over wapens beschikten, zaten plotsklap werkeloos thuis. In de strijd tegen de Amerikanen en de latere Sjiitische regering sloten veel mannen van deze groep zich aan bij al-Qaida in Irak.

 

Net als het geweld en de burgeroorlog in Irak vormt het geweld in Syrië, dat op 15 maart 2011 losbarstte, een belangrijke voedingsbodem voor het extremisme. De Syrische leider Bashar al-Assad probeert de revolutie met grof geweld neer te slaan en drijft daarmee velen juist in de armen van de extremisten. Het vrije Syrische leger is minder effectief dan Jabhat al-Nusra, de Syrische al-Qaida tak, en dat maakt deze laatste groep populair. Al in 2011 staken strijders van al-Qaida in Irak de grens over om mee te vechten tegen Assad. Enige tijd opereerden de Syrische en Iraakse tak van al-Qaida samen maar na de verovering van de Syrische stad Raqqa gingen ze met elkaar in gevecht: een strijd die door de Iraakse tak gewonnen werd en tot een breuk tussen de groepen leidde.

 

In juni 2014 veroverde ISIS de Iraakse steden Mosul en Tikrit. De bewoners van deze steden zijn vooral Soennieten en zij steunen ISIS als een bondgenoot in hun strijd tegen de gehate sjiitische regering. Veel Irakezen waren niet gelukkig onder Saddam Hoessein maar vinden diens opvolger Nouri al-Maliki, die de Soennieten onderdrukte en marginaliseerde alsmede zijn corrupte en gewelddadige leger nog veel erger. Veel Soennieten sloten zich om die reden aan bij ISIS, het in hun ogen minste van twee kwaden, aldus o.a. Hans Jaap Melissen en  Patrick Cockburn (zie zijn boek alsook zijn lezing in de Balie). Het ongeorganiseerde en corrupte Iraakse leger kon niet veel uitrichten en vluchtte de stad uit. Op 29 juni 2014 riep Abu Bakr al-Baghdadi het kalifaat uit over de veroverde gebieden in Syrië en Irak. Op dit moment strekt het kalifaat zich uit van de Iraakse provincie Diyala tot de Syrische provincie Aleppo. Een gebied waar naar schatting zo’n 6 miljoen mensen wonen en dat zo groot is als Groot Brittannië. Al-Baghdadi wil het daar echter niet bij laten. Het kalifaat moet uiteindelijk nog veel groter worden en hij roept alle moslims in de hele wereld op naar het kalifaat te komen om aldaar aan hun heilige plicht te voldoen en een bijdrage te leveren aan de Jihad, de strijd tegen de ongelovigen en afvalligen.

 

Deel 2: het leven in het kalifaat 

Deel 3: wat wil IS en hoe ver gaan ze in het gebruik van geweld? (zal binnenkort verschijnen)

Deel 4: de volgelingen (zal binnenkort veschijnen)

Deel 5: de strijd tegen IS (zal binnenkort verschijnen)

 

Alette Smeulers 25 maart 2015