De uitlevering van Sabir K.

Op 20 januari  heeft de voorzieningenrechter de uitlevering van Sabir K. aan de Verenigde Staten verboden. Een terechte beslissing, maar de deur staat nog op een kier, helaas.

 

Sabir K. is in januari 1987 in Den Haag geboren als zoon van  een Nederlandse moeder en een Pakistaanse vader. Sabir, die in Nederland opgroeit, heeft zowel de Nederlandse als de Pakistaanse nationaliteit. In 2004, als Sabir 17 is, vertrekt het gezin naar Pakistan alwaar hij zich vestigt en later een gezin sticht. Dan gaat het mis. Op 20 september 2010 wordt Sabir ’s nachts in zijn huis in Pakistan van zijn bed gelicht en aangehouden. De agenten die hem aanhouden, brengen hem naar een gevangenis waar hij gedurende 7 maanden op gruwelijke wijze wordt gefolterd. Nu - ruim 4 jaar later - ondervindt hij naar eigen zeggen nog dagelijks de gevolgen van die folteringen. Even plotseling als ze begonnen zijn, eindigen de folteringen als hij op 29 april 2011 op het vliegtuig naar Nederland wordt gezet. Meteen bij aankomst op Schiphol wordt hij opnieuw aangehouden. De VS hadden Nederland daarom op 14 januari 2011 (dus toen Sabir nog in Pakistan vastzat) met het oog op een nog in te dienen uitleveringsverzoek verzocht. Sabir zit in uitleveringsdetentie als op 23 juni 2011 het formele uitleveringsverzoek volgt. Sabir K. wordt als terreurverdachte aangemerkt omdat hij ervan verdacht wordt in Afghanistan tegen de troepen van de VS te hebben gevochten. Sabir zelf stelt dat uit de verhoren en folteringen bleek dat hij tevens verdacht wordt van steun aan al-Qaeda, het smokkelen van wapens en het voorbereiden van een aanslag op een Amerikaanse legerbasis; daarvan wordt in het uitleveringsverzoek echter geen melding gemaakt.

 

Een lange uitleveringsprocedure begint. Op 3 oktober 2011 verklaart de  rechtbank Rotterdam de uitlevering toelaatbaar. Het cassatieberoep daartegen wordt op 17 april 2012 door de Hoge Raad  verworpen. De minister van Veiligheid en Justitie  stemt op 20 december 2012 in met de uitlevering. Sabir spant vervolgens een kort geding aan. De voorzieningenrechter  wijst op 26 februari 2013 de vordering tot een verbod op uitlevering af. Sabir K. gaat in hoger beroep en heeft dan meer geluk. De staat wordt  - in een tussenvonnis van 28 mei 2013- gevraagd nader onderzoek te verrichten. Omdat de staat hieraan  niet voldoet, bepaalt de rechter op 23 juli 2013 dat Sabir K. niet uitgeleverd mag worden zolang de staat niet aan de onderzoek plicht heeft voldaan. Het cassatieberoep dat de staat vervolgens bij de Hoge Raad instelt, wordt op 11 juli 2014 afgewezen. De staat - die aan het verzoek van de VS tot uitlevering wil voldoen - vraagt de VS dan alsnog om nadere inlichtingen. Nadat deze per brief van 15 oktober 2014 worden gegeven, stemt de minister op 14 november 2014 opnieuw in met de uitlevering. Weer stapt Sabir K. naar de voorzieningenrechter. Op 20 januari 2015 stelt deze dat ondanks de verkregen toelichting, de staat nog steeds niet in afdoende mate aan zijn onderzoekplicht heeft voldaan en verbiedt de uitlevering. De hele procedure heeft dan inmiddels ruim 3,5 jaar geduurd, maar waar draait het nu om?

 

Als verweer tegen zijn uitlevering werpt Sabir K. onder andere op dat hij in Pakistan is gefolterd en dat de VS daarbij betrokken waren. Om deze reden en omdat hem in de VS opnieuw een onmenselijke behandeling wacht, zou  hij  niet aan de VS uitgeleverd mogen worden. Wat betreft de dreigende schending (onmenselijk behandeling na uitlevering) oordeelt de uitleveringsrechter dat de minister hierover dient te beslissen. De minister stelt vervolgens dat de VS heeft toegezegd dat Sabir K. niet door een militaire rechtbank zal worden berecht en dat hij na zijn veroordeling zijn eventuele straf in Nederland mag ondergaan. Dit achten zowel de minister als later de voorzieningenrechter (26 februari 2013) afdoende. Geoordeeld wordt dat geen sprake is van een dreigende flagrante schending en dat de uitlevering dus niet op die grond geweigerd mag worden.

 

Het vertrouwensbeginsel speelt in dit kader een belangrijke rol, uitgangspunt is dat de Nederlandse staat alleen uitleveringsverdragen afsluit met staten waar in hij vertrouwen heeft;  dientengevolge hoeft niet in iedere zaak gekeken te worden of dit vertrouwen nog steeds terecht is. Het vertrouwensbeginsel is een valide en belangrijk beginsel als algemeen uitgangspunt, maar dat zou nooit absoluut mogen zijn (zie hierover uitvoerig). Helaas wordt het door de Nederlandse staat vaak wel als zodanig opgevat. De VS hebben ten aanzien van hun strafrechtspraak in veel opzichten een wat andere visie dan Nederland. Dat is niet erg, mits er duidelijke afspraken gemaakt worden (bijvoorbeeld ten aanzien van het niet tenuitvoerleggen van de doodstraf) als verdachten vanuit Nederland naar de VS worden uitgeleverd. In principe kan Nederland met betrekking tot commune delicten  in zijn uitleveringsbetrekkingen met de VS gerust uitgaan van wederzijds vertrouwen. Echter:  waar het gaat om de uitlevering van terreurverdachten zou dit niet zo vanzelfsprekend mogen zijn. Na 9/11zijn de VS een oorlog tegen het terrorisme begonnen – de zogeheten War on Terror. In die oorlog hebben de VS regelmatig de mensenrechten geschonden . We kennen allemaal de beelden uit de gevangenis in Abu Ghraib en de in het oranje gestoken gevangenen in Guantánamo Bay, die al jaren zonder enige vorm van proces vastzitten. De VS hebben verder een programma opgezet waarbij terreurverdachten ontvoerd worden en naar landen getransporteerd worden waar zij gefolterd kunnen  worden om vervolgens in de VS terecht te staan. Het rapport van de Amerikaanse senaatscommissie onder leiding van Dianne Feinstein (waarvan een samenvatting in december 2014 openbaar werd gemaakt), maakt zonder meer duidelijk dat de CIA extreme verhoormethoden gebruikte die in strijd zijn met zowel het Amerikaanse recht als het internationale recht. Er is sprake van foltering, dus van schending van een absoluut en onvervreemdbaar recht en een van de allerbelangrijkste regels binnen het internationale recht (ius cogens). Dit brengt mijns inziens mee dat  de VS niet langer het vertrouwen mogen genieten van de Nederlandse overheidsinstanties waar het de berechting van verdachten van terreur betreft. De Nederlandse rechter en overheid denken daar echter anders over en zien hierin geen bezwaren voor de uitlevering van Sabir K.

 

Het feit dat Sabir K. tijdens zijn detentie in Pakistan gedurende 7 maanden is gefolterd, is op zichzelf geen beletsel voor zijn uitlevering. Dat zou wel zo zijn, als komt vast te staan dat hij in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd; volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad mag de persoon dan niet uitgeleverd worden. Daar voegde de Hoge Raad op 17 april 2012 aan toe dat dit ook geldt als die functionarissen de betreffende persoon niet zelf hebben gefolterd, maar deze folteringen wel hebben uitgelokt dan wel bewerkstelligd. De achterliggende ratio is dat de persoon in zo’n geval nooit meer een eerlijk proces zal kunnen krijgen. Dit beletsel geldt overigens uitsluitend als de persoon gefolterd is in verband met de zaak waarvoor uitlevering gevraagd wordt. Dit levert de opmerkelijke situatie op  dat iemand die door autoriteiten van een staat gefolterd is met betrekking tot een andere zaak vervolgens wel aan zijn folteraars uitgeleverd mag worden. Dit druist mijns inziens in tegen de kern van de bescherming tegen foltering en dient te worden beschouwd als een onmenselijk behandeling. Veel folterslachtoffers lijden aan een post-traumatisch stress syndroom, zo ook Sabir K. De angst om opnieuw uitgeleverd te worden aan de folteraars moet ondragelijk zijn en leidde er jaren geleden in Duitsland al tot zelfmoord van  een opgeëiste persoon die op het punt stond opnieuw uitgeleverd te worden aan Turkije - waar hij eerder gefolterd was: de man sprongtijdens de behandeling van zijn uitleveringsverzoek uit het raam. Tegen deze achtergrond is de afwijzing van het verzoek van  Sabir K. door de rechtbank om een psycholoog op te roepen die kon getuigen over het effect dat de uitlevering op hem zou kunnen hebben onwenselijk. De angsten die Sabir K. heeft en die mogelijk zo extreem zijn dat het blootstellen daaraan  gelijkgesteld kan worden aan een onmenselijke behandeling, vormen kennelijk geen beletsel voor zijn uitlevering.

 

De hele zaak draait uiteindelijk rond de vraag in hoeverre de VS betrokken zijn geweest bij de folteringen die Sabir K. in Pakistan heeft ondergaan. Dat hij gefolterd is, wordt door de partijen niet betwist, wel de rol die de VS daarbij hebben gespeeld. Dat die rol er is, zou kunnen worden afgeleid uit een aantal  opmerkelijke aspecten. Ten eerste lijkt Pakistan zelf weinig belang te hebben gehecht aan de aanhouding en vervolging van Sabir: zij hebben hem immers zonder zelf enige verdere strafrechtelijke actie te ondernemen naar Nederland uitgezet; Ten tweede past de gang van zaken binnen de werkwijze zoals door de VS in de War on Terror gebruikt en waarin de VS vaak andere staten - die het minder nauw nemen met de mensenrechten - vragen terreurverdachten te verhoren (waarbij foltering niet wordt geschuwd). Ten derde hebben de VS Nederland om de aanhouding van Sabir verzocht ruime tijd voordat hij naar Nederland werd uitgezet. Dit lijkt erop te wijzen dat de VS minst genomen op de hoogte waren van de aanhouding van Sabir. Niet uitgesloten is dat zij daartoe zelfs het initiatief hebben genomen. Tot slot beweert Sabir K. dat hij Amerikaanse stemmen heeft gehoord vooraf en tijdens zijn foltering; hij heeft ook getuigen aangewezen die rond dezelfde tijd met medeweten van de Amerikanen zijn gefolterd en heeft voorts verklaard  dat de Pakistaanse agenten tegen hem gezegd hebben dat zij in opdracht van de VS handelden.

 

De uitleveringsrechter en de voorzieningenrechter in eerste aanleg waren echter  van oordeel dat de betrokkenheid van de VS onvoldoende aannemelijk was geworden. In hoger beroep werd hierover anders geoordeeld, in die zin dat werd geoordeeld dat onvoldoende vast stond dat de VS hierbij niet betrokken waren. Dat is onder andere te verklaren doordat er steeds meer informatie beschikbaar is gekomen die erop wijst dat Sabir K. mogelijk gelijk kan hebben.  Er zijn nieuwe getuigen en ook in de media verschijnen verhalen van terreurverdachten die in Pakistan gefolterd zijn. In ieder geval is het zo dat de rechter van mening is dat er zoveel onzekerheid over de rol van de VS gerezen is dat op de Nederlandse staat een plicht rust om nader onderzoek naar die rol te verrichten, aldus de voorzieningenrechter op 28 mei 2013 en later de Hoge Raad op 11 juli 2014. In zijn arrest van 20 januari 2015 wijst de voorzieningenrechter  op deze opmerkelijke zaken alsmede op het CIA-rapport dat begin december 2014  in de VS gedeeltelijk openbaar is gemaakt. Hieruit blijkt niet alleen dat de VS in de strijd tegen terreur extreme methodes hebben gebruikt en daarbij de internationale regels en normen hebben overschreden, maar ook dat er in deze strijd sprake is geweest van nauwe samenwerking tussen de Amerikaanse en de Pakistaanse geheime dienst, die erom bekend staat terreurverdachten systematisch te folteren. Tegen het licht van die kennis stelt de voorzieningenrechter dat als de VS Pakistan om de aanhouding van Sabir K. zouden hebben verzocht,  zij de foltering hebben bewerkstelligd, aangezien zij wisten of hadden moeten weten dat foltering het vrijwel onmiddellijke gevolg van die aanhouding zou zijn. In een brief aan de minister stellen de VS dat de ‘US law enforcement authorities’ geen rol hebben gespeeld in de foltering. Dit is echter, aldus de voorzieningenrechter op 20 januari 2015, niet afdoende, aangezien het er niet alleen om gaat welke rol deze autoriteiten gespeeld hebben maar ook welke rol de CIA, die geen law enforcement agency is, gespeeld heeft. De VS zijn immers ook verantwoordelijk voor de mogelijke rol die deze dienst gespeeld heeft. Vooralsnog is derhalve de informatie vanuit de VS onvoldoende om groen licht voor de uitlevering te geven.

 

De rechter heeft er nadrukkelijk voor gekozen om de staat binnen de afhandeling van dit kortgeding niet nogmaals te vragen nader onderzoek te doen, maar heeft  nu reeds een beslissing genomen. Dat doet er echter niet aan af dat als de staat uit eigen beweging opnieuw een onderzoek instelt en nieuwe garanties krijgt, de uitlevering van Sabir K  alsnog  zou kunnen worden toegestaan. Deze uitspraak betekent dus nog geen definitief en onherroepelijk verbod op uitlevering. Dit is mijns inziens ten onrechte: een uitlevering van Sabir K is naar mijn oordeel onaanvaardbaar. Ten eerste is de uitlevering van een opgeëiste persoon aan zijn folteraars op zich al een onmenselijke behandeling; ten tweede hebben de senaatsrapporten aangegeven dat de CIA stelselmatig de Amerikaanse autoriteiten heeft voorgelogen over de folteringen. De VS kunnen dus – ook als er gesteld wordt dat zij niet betrokken waren – op dit punt niet geloofd worden.

 

Vanzelfsprekend dienen  staten samen te werken in de strijd tegen de terreur. Het is echter zaak om in deze strijd de mensenrechten te respecteren en daarmee ook de rechten van de verdachten – ook als het om de meest extreme terreurverdachten gaat. Een veel betere oplossing zou het in casu daarom zijn de zaak over te nemen en Sabir K. in Nederland te berechten voor de feiten waarvan hij verdacht wordt. Aldus kan er toch een strafrechtelijk onderzoek plaatsvinden naar de verdenkingen, zonder dat  Sabir K. langer is blootgesteld aan de druk van een uitlevering aan een staat die waarschijnlijk mede verantwoordelijk is voor zijn foltering. 

 

 

Literatuur:

 

  • Salome, R. & C. van der Wal (2015). Sabir K. – haagse terreurverdachte vertelt voor het eerst hoe maanden  in pakistaanse martelcel hem hebben gebroken, Algemeen Dagblad 20 januari 2015. (lees verder)
  • Smeulers, A. (2002). In staat van uitlevering - houden uitleveringsrechters in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten voldoende rekening met het proces en de behandeling die de opgeëiste persoon in de verzoekende staat na uitlevering te wachten staan?, Antwerpen: Intersentia. (diss Maastricht) (lees verder)

 

Alette Smeulers, 30 januari 2015